Iedereen heeft wel een lievelingsplekje in zijn huis. Vaak is dat een plekje, waarvan je niet verwacht als je het huurt, koopt of voor het eerst bewoont, dat dat je favoriete plek wordt. Zoals ze in het Engels zo mooi zeggen: “It grows on you.” Zo ook bij mij. Toen ik 10 jaar terug hier in Amsterdam ging wonen in een appartementencomplex wist ik een paar dingen zeker:
- Ik moest op de bovenste verdieping, want ik had daarvoor in een souterrain gewoond in Utrecht en kon de voetstappen van mijn bovenburen tellen en de slaapkamerfantasieën smeuïg en sappig navertellen…
- Daarnaast wilde ik een parkeerplek. In Utrecht huurde ik, wat betekende dat je op de lijst van urgentie voor het verkrijgen van een parkeerplek zo ongeveer na de laatste der Mohikanen op de lijst komt. In mijn tijd in Utrecht ben ik nooit in aanmerking gekomen voor een plek. Wat dus betekende: wild parkeren in de straten, waar het nog wel gratis was. Om het naar Spierdijk te vertalen: iemand parkeert elke dag na het werk voor jouw boerderij en rijdt hem dan ’s ochtends weer weg. En ja, de omgebogen ruitenwissers zijn dan een duidelijk signaal dat ik weer een ander plekje moest zoeken. Daarnaast werd deze buurt steeds populairder, dus werd het steeds lastiger een plekje te vinden en stond ie elke dag ergens anders. Het is dus voorgekomen, dat ik mijn auto kwijt was en de hele wijk heb afgezocht en toen dacht: “O ja, daar had ik hem geparkeerd!”.
- De derde was dat ik meer licht wilde. Een souterrain is prachtig en achter mij had ik een we-laten-de-natuur-zijn-werk-doen-tuin, waar GroenLinksers van zouden smullen en de bollenbouwers van Spierdijk van zouden walgen. Het nadeel van een souterrain is wel het gebrek aan daglicht.
Ik had mazzel dat 10 jaar terug de woningmarkt was ingestort na de financiële crisis, dus ik kon redelijk makkelijk aan een nieuwbouwappartement komen. Kom daar nu nog maar eens om. Met grote ramen, zodat er echt veel daglicht naar binnen kon en ook een dakkoepel in de badkamer. Daarnaast een ondergrondse parkeergarage aan huis (wat een luxe! JA, jullie Spierdijkers zullen nu ondertussen wel denken, waarom wil je ook in godesnaam in de hoofdstad wonen? Wat een gedoe. Kies toch voor het vlakke land! Nou daar heb ik wel een aantal redenen voor, da’s wellicht voor een volgende column) en op de bovenste, vierde verdieping. Dus niet te laag en niet te wolkenkrabberig, precies goed.
En dan terug naar het lievelingsplekje. Dat is toch de badkamer geworden. Niet om te badderen, dus waarom dan de badkamer? Die noemde je niet als een van je eisen. Nou, de dakkoepel zit dus boven de badkamer. En in de winter is dit de ideale plek om in het daglicht te zitten. Dan installeer ik mijn favoriete stoel naast de verwarmingsbuizen en leg ik een kussentje op de badrand, voetjes tegen het kussentje aan, koffietje op het wastafelblad en dan een krantje of boek erbij. Even weg van de smartphone en tablet (die ik bewust in de woonkamer laat liggen). HEERLIJK!
Dit moet er voor anderen hilarisch uitzien, want hier is de badkamer natuurlijk niet voor ontwikkeld & ik kan me voorstellen als anderen dit zien, denken: “Waarom neemt die gast in hemelsnaam een woonkamerstoel mee in de badkamer? Is die gast leip ofzo?” Maar dus een dakkoepel als opperste luxe. Dank aan de Ringo-Smitten van deze wereld, die dit zware ding toch maar naar boven hebben moeten sjouwen en installeren. Zo zie je maar, maak er zelf wat van en koester die kleine geneugten. Heel toepasselijk in deze tijd.
Groetjes,
Ronald Laan
P.S. Deze column is uiteraard geschreven vanuit… Inderdaad u raadt het al.